13.03.2015

Vlaanderen heeft eigen antimisbruikregels voor successie

Sinds 1 januari 2015 staat Vlaanderen in voor de inning van de erfbelasting. Het Vlaamse Wetboek van Successierechten werd overgeheveld naar de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF). De fiscale antimisbruikbepaling heeft haar plaatsje gevonden onder artikel 3.17.0.0.2 VCF. Nalatenschappen die onder de Vlaamse inningsbevoegdheid vallen, dienen de Vlaamse antimisbruikregels en de nieuwe Vlaamse omzendbrief terzake na te leven. Maar wat betekent dit in de praktijk?

Wie valt onder de Vlaamse regels?
De erfbelasting geïnd door de Vlaamse Belastingdienst omvat twee belastingen:

  • successierecht: wordt geheven op de (netto-)nalatenschap van de erflater wiens fiscale woonplaats in het Vlaamse Gewest is gelegen;
  • recht van overgang bij overlijden: wordt geheven op de onroerende goederen gelegen in het Vlaamse Gewest welke eigendom zijn van de erflater wiens fiscale woonplaats niet in Vlaanderen is gelegen.

Het aanknopingspunt is dus de fiscale woonplaats van de erflater of de ligging van de onroerende goederen in het Vlaamse Gewest. De nationaliteit van de erfgenamen speelt geen rol.

Wat zegt de Vlaamse omzendbrief?
De federale circulaire bij de antimisbruikbepaling wordt vervangen door de Vlaamse omzendbrief over fiscaal misbruik bij de registratie- en erfbelasting. De Vlaamse omzendbrief omvat geen exhaustieve lijst van “veilige” of “verdachte” rechtshandelingen, maar geeft toch een “witte” en “zwarte” lijst mee om enige duidelijkheid en houvast te bieden. Hierna volgt de lijst van rechtshandelingen die te maken hebben met erfbelasting. Om te beginnen wordt bevestigd dat een testament nooit fiscaal misbruik kan uitmaken, om de eenvoudige reden dat de belastingplichtige niet de testator zelf maar wel zijn erfgenamen zijn. Vervolgens wordt de wijziging van het huwelijkscontract met een sterfhuisclausule op de verboden lijst gezet, wanneer deze gebeurt in de wetenschap dat een overlijden van de ene echtgenoot “nakend en onoverkomelijk” is en de voorwaarde van overleving door de andere echtgenoot met (quasi-)zekerheid zal vervuld worden. Ook de uitbreng van roerende goederen uit de huwelijksgemeenschap gevolgd door de wederzijdse schenking tussen echtgenoten van deze uitgebrachte goederen is uit den boze, wanneer de echtgenoten deze schenkingen kunnen herroepen bij vooroverlijden van één van de echtgenoten. Het staat de belastingplichtige steeds vrij om te bewijzen dat zijn keuze voor een “verdachte” rechtshandeling ingegeven is door andere dan fiscale motieven en aldus te ontsnappen aan de toepassing van de antimisbruikbepaling.

Cindy Dhondt
Maart 2015